Aanbevelingen vaststelling smartengeld

Door Stef Snippe, Ottenschot Letselschade

De Rechtspraak heeft aanbevelingen vastgesteld voor de begroting van smartengeld op grond van artikel 6:106 BW. Deze aanbevelingen gelden vanaf 1 januari 2026. Zij hebben tot doel een meer eenduidige en rechtvaardige vaststelling van smartengeld door de Nederlandse rechter te bevorderen.

 

De aanbevelingen zijn ontwikkeld door een rechterlijke werkgroep en zijn geaccordeerd door de landelijke overleggen vakinhoud voor zowel civiel als straf. De aanbevelingen zijn niet bindend, maar bedoeld als handreiking voor rechters bij het bepalen van een billijke vergoeding van het smartengeld.

Hieronder licht ik de aanbevelingen afzonderlijk toe.

Aanbeveling 1

Uitgangspunt is de Rotterdamse Schaal

De begroting van smartengeld wordt benaderd via de methode van de Rotterdamse Schaal. Deze schaal werkt met bandbreedtes per letselcategorie, gebaseerd op de aard en ernst van het letsel en/of de normschending.

De rechter kan binnen deze bandbreedtes een passend bedrag vaststellen, maar mag deze ook overschrijden indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven. In dat geval zal de rechter het deugdelijk moeten motiveren.

Aanbeveling 2

Leeftijdscorrectie bij blijvend letsel

De Rotterdamse Schaal is opgedeeld in drie delen c.q. categorieën: Deel A: lichamelijk letsel, Deel B: (geobjectiveerd) geestelijk letsel en Deel C: smartengeld anders dan wegens (aangetoond) letsel.

Bij blijvend letsel in de A- en B-categorie van de Rotterdamse Schaal dient rekening te worden gehouden met de leeftijd van de benadeelde:

  • Bij kinderen tot en met 14 jaar wordt het smartengeld verhoogd met 25%.
  • Bij jongeren en jongvolwassenen van 15 tot en met 29 jaar wordt het smartengeld verhoogd met 15%.

Deze opslag wordt toegepast nadat eerst op neutrale wijze een smartengeldbedrag is vastgesteld, alsof de benadeelde een volwassene is. De bovenzijde van de bandbreedte vormt daarbij geen begrenzing. Deze aanbeveling is gebaseerd op het uitgangspunt dat jongere benadeelden langer met de gevolgen van blijvend letsel worden geconfronteerd.

Aanbeveling 3

Ernstige verwijtbaarheid of opzet

Indien sprake is van ernstige verwijtbaarheid of opzet bij het toebrengen van letsel in de A- en B-categorie, kan het smartengeld worden verhoogd met een percentage tussen 10% en 25%. Het hoogste percentage is voorbehouden aan uiterst verwijtbaar gedrag.

Deze correctie komt bovenop het neutraal vastgestelde smartengeld en kan leiden tot overschrijding van de bandbreedte. Bij risicoaansprakelijkheid (aansprakelijkheid zonder schuld), vindt geen opslag plaats op grond van ernstige verwijtbaarheid of opzet.

De C-categorie van de Rotterdamse Schaal vormt hierop in beginsel een uitzondering, omdat daarin de normschending en het strafwaardige karakter al zijn verdisconteerd. Indien de rechter hiervan wil afwijken, dan zal ook hier een deugdelijke motivering nodig zijn.

smartengeldAanbeveling 4

Geen vermenigvuldiging van correcties

Indien zowel een leeftijdscorrectie als een correctie wegens opzet of ernstige verwijtbaarheid aan de orde is, worden deze correcties niet met elkaar vermenigvuldigd.

De afzonderlijke opslagen worden onafhankelijk van elkaar vastgesteld en vervolgens bij elkaar opgeteld. Hiermee wordt voorkomen dat stapeling van percentages leidt tot een onevenredige verhoging van het smartengeld.

Aanbeveling 5

Meervoudig letsel

Bij meerdere, van elkaar onafhankelijke letsels geldt het volgende uitgangspunt:

  • Het zwaarste letsel telt volledig mee in de bepaling van het smartengeld.
  • Het in ernst tweede letsel telt voor 50% mee in de bepaling van het smartengeld.
  • Eventuele derde en volgende letsels tellen niet op dezelfde wijze mee, maar kunnen als factor worden betrokken bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld binnen de bandbreedte.

Na vaststelling van het aldus berekende bedrag kunnen eventueel nog de opslagen voor leeftijd en verwijtbaarheid worden toegepast. Deze aanbeveling beoogt stapeling van bedragen te voorkomen die vervolgens kunnen leiden tot een onevenwichtige vergoeding.

Aanbeveling 6

Duur van het letsel

Bij het bepalen van het smartengeld wordt rekening gehouden met de duur van het letsel:

  • Kortdurend letsel: herstel binnen zes maanden (een litteken kan aanwezig blijven).
  • Langdurig letsel: herstel binnen twee jaar.
  • Blijvend letsel: klachten die na twee jaar nog bestaan.

De hoogte van het smartengeld wordt in belangrijke mate bepaald door de duur van het letsel. Herstel op korte termijn levert een lager bedrag op dan herstel dat geruime tijd duurt.

Deze aanbeveling is gegeven omdat de Rotterdamse Schaal geen duidelijke lijn trekt tussen het verschil in blijvend en tijdelijk letsel.

In de praktijk

De Rotterdamse Schaal werd sinds haar publicatie al in sommige letselschadezaken, ook buitengerechtelijk, als referentiekader gebruikt. De verwachting is dat dit door de vastgestelde aanbevelingen steeds vaker zal gebeuren.

Ondanks de aanbevelingen zijn er verzekeraars die de Rotterdamse Schaal nog niet accepteren als uitgangspunt voor de begroting van smartengeld, mogelijk omdat toepassing daarvan in de regel leidt tot hogere smartengeldbedragen dan vóór 1 januari 2026 gebruikelijk was.

Het niet volgen van de aanbevelingen kan leiden tot een toename van gerechtelijke procedures, nu benadeelden eerder aanleiding zullen zien om een rechterlijk oordeel te vragen over de hoogte van het smartengeld. Naarmate rechters de Rotterdamse Schaal consequenter toepassen, zal de ruimte voor afwijking in de buitengerechtelijke afwikkeling naar verwachting verder afnemen.

Conclusie

De aanbevelingen vormen samen met de Rotterdamse Schaal één samenhangend beoordelingskader voor de vaststelling van het smartengeld.

De aanbevelingen zijn zoals beschreven niet bindend, maar ze geven wel een duidelijke richting. In combinatie met de Rotterdamse Schaal zorgen zij bovendien voor meer voorspelbaarheid en betere uitlegbaarheid van smartengeldbedragen richting benadeelden.

De rechter zal de aanbevelingen en de Rotterdamse Schaal raadplegen voor het nemen van een beslissing, maar ze zijn niet doorslaggevend. Wat uiteindelijk telt, is de situatie van een benadeelde: persoonlijke omstandigheden, gezondheid en de impact daarvan op het dagelijks leven. Omdat iedere zaak anders is, blijft het verhaal van de benadeelde altijd de basis.

Stef Snippe is Expert bij Ottenschot Letselschade