Gepubliceerd op woensdag 16 mei 2018

Letsel op de werkvloer; persoonlijk onderzoek door verzekeraar onrechtmatig

Gedaagde2 exploiteerde samen met de moeder van verzoeker een café, genaamd [handelsnaam]. Gedaagde2 heeft een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (AVB) afgesloten bij ASR. Verzoeker, geboren in 1988, werkte in [handelsnaam] als bedrijfsleider/barkeeper. In juni 2008 is verzoeker bij het afdalen van de keldertrap uitgegleden. Hij probeerde zich met zijn linker- (dominante) hand aan het kelderluik vast te houden. Het kelderluik viel dicht waardoor zijn vingers klem kwamen te zitten. De bovenste vingerkootjes van de ringvinger en middelvinger zijn geamputeerd. Verzoeker heeft verschillende operaties ondergaan. Na twee jaar heeft het UWV een IVA-uitkering toegekend. Een particulier onderzoeksbureau heeft in opdracht van ASR gedurende zes maanden een persoonlijk onderzoek uitgevoerd naar verzoeker. Er zijn foto- en video-opnamen van verzoeker gemaakt. Verzoeker verzoekt in deelgeschil voor recht te verklaren dat het persoonlijk onderzoek onrechtmatig is ingesteld, dat de uitkomsten van het persoonlijk onderzoek buiten beschouwing moeten worden gelaten en dat verzoeker ASR niet heeft misleid dan wel onjuiste informatie heeft verstrekt met het doel haar te bewegen tot uitkering over te gaan. 

De stelling van ASR dat deze zaak zich niet leent voor de deelgeschilprocedure wordt verworpen. Het verzoek heeft betrekking op de toelaatbaarheid van het door ASR uitgevoerde persoonlijk onderzoek. De uitkomsten van dit onderzoek spelen een rol bij de afhandeling van de letselschadekwestie tussen partijen. Zodoende ligt er wel degelijk een letselschadekwestie ten grondslag aan het verzoek. ASR betoogt dat de aansprakelijkheidsverzekering geen dekking biedt en dat verzoeker reeds gelet daarop geen vordering heeft op ASR. Indien buiten redelijke twijfel is dat ASR geen dekking hoeft te verlenen, heeft verzoeker geen belang bij een beslissing in het deelgeschil. Hiervan is echter geen sprake. Immers, ter zitting is gebleken dat ASR voor het eerst na indiening van het verzoekschrift op 10 oktober 2017 heeft laten weten dat zij geen dekking verleent. Het persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden tussen eind 2013 en medio 2014. Op basis van dat onderzoek komt ASR tot de conclusie dat verzoeker, gedaagde2 en de echtgenote van gedaagde2 onjuiste mededelingen hebben gedaan over de aan-/afwezigheid van verzoeker in [handelsnaam]. ASR heeft meer dan drie jaar gewacht met de mededeling dat zij geen dekking verleent. Door dit lange tijdsverloop heeft ASR zich niet als een behoorlijk verzekeraar gedragen. Gelet hierop staat onvoldoende vast dat ASR geen dekking hoeft te verlenen. Hierbij komt dat verzoeker geen aanspraak maakt op betaling van een geldsom, zodat er geen restitutierisico is.

ASR voert aan dat zij onvoldoende inzicht had in de beperkingen van verzoeker na het ongeval. Om daar duidelijkheid over te krijgen heeft zij het persoonlijk onderzoek laten uitvoeren. ASR heeft verzoeker echter ten onrechte niet eerst nader bevraagd over zijn beperkingen. Er is onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat verzoeker daar niet juist op zou hebben geantwoord. Een verzekeraar moet duidelijke vragen stellen, waarbij de achtergrond van de vragen ook duidelijk moet zijn. Indien ASR wilde weten of verzoeker in staat was om [handelsnaam] in de toekomst over te nemen dan wel of hij nog in staat was om daar werkzaamheden te verrichten, dan had zij daarover duidelijke vragen moeten stellen. Zij kon niet volstaan met de algemene vraag of verzoeker nog wel eens in [handelsnaam] kwam. Indien ASR twijfels had over de lichamelijke of fysieke beperkingen dan wel de re-integratiemogelijkheden dan had zij nadere expertises kunnen aanvragen. ASR heeft voorts onvoldoende onderzocht of er andere onderzoeksmogelijkheden waren die tot minder inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zouden hebben geleid. De observatiewerkzaamheden hebben langdurig en stelselmatig plaatsgevonden. ASR heeft gehandeld in strijd met de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek van het Verbond van Verzekeraars. De verklaring voor recht dat het persoonlijk onderzoek onrechtmatig is ingesteld wordt toegewezen. Daarnaast is terzijdelegging van het onrechtmatig verkregen bewijs gerechtvaardigd. ASR heeft gebruikgemaakt van het vergaande opsporingsmiddel observatie, terwijl daar geen reden voor was. Het onderzoek had betrekking op een schadezaak, waarin verzoeker niet als contractspartij van ASR, maar als slachtoffer van het handelen van een verzekerde van ASR was betrokken. Hij heeft er dus niet voor gekozen zich tot ASR te verhouden.

(Rechtbank Midden-Nederland 2 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1792)

Bron: Tijdschrift Letselschade in de Rechtspraktijk