Gepubliceerd op donderdag 14 december 2017

Voorstel uitbreiding schadevergoedingsgerechtigden bij overlijdensschade (2):
De partner, waarmee (nog) niet wordt samengewoond

door mr. Marinda Krijgsman


In het aansprakelijkheidsrecht heeft een benadeelde in beginsel recht op volledige vergoeding van zijn schade. De gevolgen van de schade toebrengende gebeurtenis moeten zoveel mogelijk worden weggenomen of worden gecompenseerd. Daarbij wordt gekeken naar de situatie waarin de benadeelde zou hebben verkeerd indien de schade toebrengende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. De schade als gevolg van het overlijden komt, in tegenstelling tot schade bij letsel, maar beperkt voor vergoeding in aanmerking.

De schadevergoeding wordt in artikel 6: 108 BW op drie manieren beperkt, namelijk de aard en omvang van de schade, alsmede degene met een recht op schadevergoeding. In dit artikel staat de partner waarmee (nog) niet wordt samengewoond of waarmee de overledene een latrelatie had, centraal. Diens vorderingsrecht bevindt zich namelijk in een grijs gebied, waarvan niet duidelijk is of zij een vorderingsrecht ex artikel 6:108 BW heeft.

Artikel 6:108 BW vereist onder meer dat de partner met de overledene in gezinsverband samenwoonde. Of een latrelatie ook kan worden gezien als samenwonen in gezinsverband, zal van de omstandigheden van het geval afhangen. Het lijkt in beginsel wel mogelijk, gelet op het feit dat er in sub c niet wordt gesproken over ‘het voeren van een gemeenschappelijke huishouding’. Daarnaast is vereist dat de overledene geheel of voor een groot deel in het levensonderhoud van de nabestaande voorzag. Niet nodig is dat de overledene het grootste aandeel had in de kosten van het levensonderhoud; er dient te worden vastgesteld of de behoefte aan levensonderhoud van de nabestaande door het overlijden is toegenomen. Tenslotte is ingevolge sub c vereist dat dit (samenwonen en voorzien in levensonderhoud) zonder overlijden naar verwachting zou zijn voortgezet en de nabestaande redelijkerwijs zelf niet voldoende in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien.

De rechtbank Utrecht[1] oordeelt over de vraag of verzoekster ten tijde van het overlijden van haar ex-man in gezinsverband samenwoonde als volgt. “Tussen verzoekster en haar ex-echtgenoot bestond na de echtscheiding weliswaar wederom een affectieve relatie maar op grond van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden kan niet worden aangenomen dat sprake was van samenwonen in gezinsverband. De relatie van verzoekster en haar ex-man was vergelijkbaar met een zogenaamde latrelatie, waarbij nog sprake was van een bepaalde mate van zelfstandigheid tussen verzoekster enerzijds en haar ex-echtgenoot anderzijds.”

De rechtbank merkt daarbij op dat zij beseft dat het voor verzoekster pijnlijk is dat het voor de juridische beoordeling van deze zaak relevant is onderscheid te maken tussen het emotioneel (weer) samenzijn, dat vanzelfsprekend voor verzoekster het zwaarst weegt, en het feitelijk samenzijn, dat in verband met de bewoordingen van artikel 6:108 lid 1 sub c BW van doorslaggevende betekenis is.

Concluderend, er wordt door de rechter (strikt) vastgehouden aan de vereisten van artikel 6:108 lid 1 sub c. Letselschade.com is van mening dat niet het ‘feitelijk samenzijn’ van doorslaggevende betekenis hoort te zijn, nu het dagelijks leven steeds meer samenlevingsvormen kent. Er dient te worden vastgesteld of de behoefte aan levensonderhoud van de nieuwe partner door het overlijden is toegenomen, waarbij wel van belang is dat de situatie zonder overlijden zou zijn voortgezet.

Marinda Krijgsman is expert bij Letselschade.com

[1] Rb. Utrecht 27 oktober 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BO2891.

Geschreven door