Gepubliceerd op donderdag 07 september 2017

Voorstel uitbreiding schadevergoedingsgerechtigden bij
overlijdensschade: De alimentatiegerechtigde ex-echtgenoot

door mr. Marinda Krijgsman

 

Vaak zijn er, wanneer iemand door de onrechtmatige daad van een ander om het leven komt, nabestaanden die schade lijden omdat zij het door de overledene verschafte onderhoud moeten missen. Artikel 6:108 lid 1 BW geeft aan een beperkt aantal van hen een vordering tot vergoeding van de schade door de veroorzaker van het ongeval. In deze kring van gerechtigden, tegenover wie de overledene al dan geen verplichting tot onderhoud had, ontbreekt opvallend genoeg de ex-echtgenote die recht had op alimentatie. Opvallend omdat een blik over de grens leert dat het ontbreken van de ex-echtgenote in de rij van tot schadevergoeding gerechtigde nabestaanden, niet overeenkomt met wat in omringende landen geldend recht is.

In een eerder wetsontwerp was de alimentatiegerechtigde ex-echtgenoot opgenomen in de kring van gerechtigden. Dat is na de parlementaire behandeling uit het wetsvoorstel geschrapt. De argumenten die hebben geleid tot het schrappen van het vorderingsrecht van de alimentatiegerechtigde echtgenote lijken niet meer steekhoudend. Zo zou onvoldoende reden zijn om in een dergelijke situatie het recht op alimentatie, dat normaal gesproken eindigt met het overlijden van de alimentatieplichtige, te continueren indien het overlijden wordt veroorzaakt door een derde. Echter, het is beter te rechtvaardigen wanneer het recht op schadevergoeding door zou lopen tot het moment dat het recht op alimentatie naar verwachting zou zijn gestopt. In dat geval kan bijvoorbeeld rekening gehouden worden met de levensverwachting van de alimentatieplichtige en overige omstandigheden die daarbij van belang zijn.

In de parlementaire geschiedenis klinkt naast de hiervoor genoemde reden, bezorgdheid om de veroorzaker van het ongeval. Op hem zou een ondraaglijke last kunnen komen te rusten wanneer de ex-echtgenote, vergoeding van door haar gederfde alimentatie eist. Dit zou in het bijzonder het geval kunnen zijn wanneer hij twee gezinnen moet onderhouden. Bij deze bezorgdheid kunnen vraagtekens gezet worden, wanneer men zich realiseert wie wel een vordering hebben. Dat zijn niet alleen degenen jegens wie de overledene krachtens wet of rechterlijke uitspraak tot onderhoud verplicht was (onderdeel a en b), maar ook een flink aantal personen die hij onderhield zonder daartoe verplicht te zijn, zoals degene met wie hij samenwoonde (onderdeel b, c en d). Men kan zich afvragen of het juist is dat de belangen van degenen die werden onderhouden, zonder een daaraan ten grondslag liggende verplichting, zwaarder wegen dan die van een ex-echtgenote die alimentatiegerechtigd was.

Ten slotte staat in artikel 6:108 BW het behoeftigheidsvereiste centraal: behoefte slaat op de norm volgens welke kan worden vastgesteld met welk bedrag de overledene (mits hij in leven was gebleven) in het levensonderhoud van de nabestaanden voorzag. Het behoeftigheidsvereiste stamt uit het familierecht, waar het wordt gebruikt bij de berekening van alimentatie. Ook voor het invullen van de behoeftigheideis uit artikel 6:108 BW wordt aangesloten bij de in het alimentatierecht gehanteerde invulling van het begrip. Het is opmerkelijk dat de alimentatiegerechtigde echtgenoot vervolgens geen vorderingsrecht heeft bij overlijden van de alimentatieplichtige.

Concluderend, het is hoog tijd dat de kring van vorderingsgerechtigden bij overlijdensschade wordt uitgebreid met de alimentatiegerechtigde ex-echtgenoot.

Geschreven door