Gepubliceerd op woensdag 07 februari 2018

Smartengeld 62-jarige met dwarslaesie na fietsongeval vastgesteld op € 150.000

Verzoekster is in 2012 op 62-jarige leeftijd aangereden door een tractorcombinatie. Zij nam deel aan een rondrit en reed in een groep met fietsers. Verzoekster moest uitwijken voor de tegemoetkomende tractorcombinatie, waardoor zij is gevallen. Vervolgens is de tractorcombinatie over haar lichaam gereden. Verzoekster is rolstoelafhankelijk, er is sprake van 91% blijvende invaliditeit van de gehele persoon. Univé heeft als WAM-verzekeraar van de bezitter/houder van de tractorcombinatie aansprakelijkheid erkend. De bestuurder is niet strafrechtelijk vervolgd. Univé heeft € 150.000 aan smartengeld betaald. Verzoekster verzoekt te verklaren voor recht dat Univé € 200.000 aan smartengeld moet betalen. 

Univé verwijst naar verschillende nummers van de Smartengeldgids 2017, waarbij sprake was van een hoge dwarslaesie met vergelijkbare beperkingen. Daarbij zijn (geïndexeerd) bedragen toegewezen tussen € 92.956 en € 133.049. Nu de rechtbank volgens de Hoge Raad dient te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zal de rechtbank deze bedragen tot uitgangspunt nemen. Voorts is vergelijkbaar ECLI:NL:RBNHO:2014:9243, waarbij is bepaald dat een vergoeding van € 130.000 billijk was. Het betrof een stukadoor met, als gevolg van schot- en steekverwondingen, een gebroken rib en heiligbeen, een verbrijzeld been, verbrijzelde wervels, een dwarslaesie, een gescheurde lever, een verwijderde galblaas, een verwijderde rechternier, een verwijdering van de twaalfvingerige darm, een stoma, en de aanwezigheid van een pacemaker. Dit slachtoffer was aanzienlijk jonger dan verzoekster en hij moest zijn werkzaamheden als zelfstandige staken. In ECLI:NL:RBGEL:2015:6968 is € 200.000 toegekend aan een slachtoffer dat zeer ernstige brandwonden opliep na een aanval op zijn woning met een molotovcocktail. Er was sprake van voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer. Deze uitspraak is minder goed vergelijkbaar met deze zaak, omdat geen sprake is van opzet door de tractorbestuurder. In ECLI:NL:RBROT:2017:2139 is € 200.000 toegewezen aan een vrouw van 50 jaar, waarbij sprake was van ernstig verwijtbaar medisch handelen waardoor de aanvankelijke reële kans op overleving verloren was gegaan. Het medisch handelen had geresulteerd in een lijdensweg van dertien maanden waarin het slachtoffer werd geconfronteerd met veel pijn en angst, vermindering van haar waardigheid, zorgen om haar kinderen en verdriet om het afscheid dat zij van haar kinderen moest nemen, totdat zij uiteindelijk op de relatief jonge leeftijd van 50 jaar overleed. Gelet op de aard van de aansprakelijkheid en het letsel in deze zaak is er geen aanleiding om bij deze laatste uitspraak aan te sluiten.

Er is sprake van een breed gedragen kritiek dat de in Nederland toegekende smartengeldbedragen geen recht meer doen aan de maatschappelijke opvattingen van leed. Volgens de rechtbank zou ook in Nederland tot een geleidelijke verhoging van smartengeldbedragen moeten worden gekomen waar de omstandigheden een dergelijke verhoging zouden indiceren. De rechtbank ziet echter geen aanleiding bedragen toe te kennen in de orde van grootte als in Engeland en Duitsland gebruikelijk is. Verzoekster heeft andere Europese landen niet in haar vergelijking betrokken, zodat niet kan worden beoordeeld of Duitsland en Engeland in vergelijking tot andere landen niet aanzienlijk hogere smartengeldbedragen toekennen. Verzoekster voert aan dat het smartengeld ook betrekking moet hebben op het lijden van haar echtgenoot, haar kinderen en haar kleinkinderen. De rechtbank onderkent dat voor de naasten van verzoekster de gevolgen van het ongeval groot zijn. De wet biedt echter (vooralsnog) geen grondslag voor vergoeding van affectieschade. De rechtbank acht een bedrag van € 150.000 aan smartengeld billijk en passend.

(Rechtbank Noord-Nederland 18 januari 2018, stichtingpiv.nl)

bron: Tijdschrift Letselschade in de Rechtspraktijk