Gepubliceerd op woensdag 11 april 2018

Incident in uitgaansgebied met hersenletsel tot gevolg; geen ongelukkige samenloop van omstandigheden

In 2005 heeft in een uitgaansgebied in Amsterdam een incident plaatsgevonden. Geïntimeerde reed na een afscheidsborrel van zijn werk weg op zijn fiets toen hij een woordenwisseling kreeg met X, die met een groep vrienden, waaronder appellant, een café had bezocht en op het punt stond in een taxi te stappen. Geïntimeerde heeft daarop zijn fiets neergezet, op slot gedaan en is naar de groep toegelopen. Appellant, die in het café was achtergebleven, is naar buiten gelopen en heeft geïntimeerde van achteren benaderd en aangeraakt. Geïntimeerde heeft een armbeweging naar achteren gemaakt en appellant geraakt. Appellant is gevallen en heeft hersenletsel opgelopen. Appellant vorderde in eerste aanleg voor recht te verklaren dat geïntimeerde hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade en dat VVAA gehouden is de uitkering, uit hoofde van de door geïntimeerde afgesloten aansprakelijkheidsverzekering, direct aan appellant te voldoen. De rechtbank heeft geïntimeerde aansprakelijk geacht en hem veroordeeld 50% van de schade te vergoeden, door VVAA rechtsreeks aan appellant te voldoen. 

Het hof overweegt dat geïntimeerde zichzelf in een situatie heeft gebracht waarbij aanzienlijk risico op een handgemeen ontstond en dat hij zich niet aan deze situatie heeft onttrokken, terwijl daar wel gelegenheid toe bestond. In plaats van weg te fietsen na de aanvankelijke woordenwisseling heeft geïntimeerde zijn fiets op slot gezet en opnieuw de confrontatie gezocht. Toen hij vervolgens van achteren werd beetgepakt, heeft hij een krachtige armbeweging naar achteren gemaakt, terwijl hij wist dat daar iemand stond. Ook al was deze armbeweging een reactie op het feit dat hij werd beetgepakt, dan nog geldt dat hij, mede door zich in deze situatie te begeven, het risico heeft genomen dat hij in een handgemeen verzeild zou raken en letsel zou veroorzaken. De mate van waarschijnlijkheid van het oplopen van letsel was daarmee zo groot, dat geïntimeerde zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Van een louter ongelukkige samenloop van omstandigheden is geen sprake.

Geïntimeerde beroept zich op een rechtvaardigingsgrond. Het staat niet vast dat het voor geïntimeerde noodzakelijk was zich op deze wijze te verdedigen. De situatie was niet bijzonder bedreigend, terwijl geïntimeerde de mogelijkheid had een confrontatie te vermijden. Geïntimeerde had zich kunnen bevrijden door weg te stappen of zich om te draaien. Het beroep op noodweer faalt daarom. Het beroep op overmacht en noodweerexces slaagt evenmin, nu geïntimeerde door de confrontatie op te zoeken zichzelf in deze situatie heeft gebracht. Ten aanzien van het beroep op eigen schuld overweegt het hof dat uit de getuigenverklaringen niet duidelijk is geworden waarom appellant, die zich binnen in het café bevond, naar buiten kwam en zich met de woordenwisseling tussen X en geïntimeerde ging bemoeien. Er was onvoldoende noodzaak voor appellant om zich met de situatie te bemoeien, nu er geen handgemeen gaande was. Daarnaast is aannemelijk dat geïntimeerde is geschrokken van de benadering door appellant van achteren. Het hof acht een verdeling van de schade op zijn plaats, in die zin dat geïntimeerde 60% van de schade draagt en appellant 40% evenredig aan de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen. Het hof acht een billijkheidcorrectie op zijn plaats. Door de armbeweging en de daaropvolgende val heeft appellant een schedelfractuur en hersenletsel opgelopen, waardoor hij acht dagen in comateuze toestand op de intensive care heeft doorgebracht en daarna nog acht dagen op de neurologische afdeling. Het hof acht aannemelijk dat het letsel aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor appellant. De gevolgen voor geïntimeerde zijn beperkt gebleven tot drie dagen voorlopige hechtenis en het moeten ondergaan van een langdurige strafrechtelijke en civielrechtelijke rechtsgang. Voorts is van belang dat de aansprakelijkheidsverzekering dekking verleent tot een maximum van € 1.250.000 en dat niet aannemelijk is dat dit maximum wordt overschreden. Geïntimeerde moet 80% van de schade dragen en appellant 20%. Het hof gelast een comparitie om de hoogte van de schade te bespreken.

(Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2906)

 

Bron: Tijdschrift Letselschade in de Rechtspraktijk