Gepubliceerd op donderdag 29 juni 2017

‘Herstellen is beter dan betalen’

door Marinda Krijgsman, Letselschade-expert

Het “Tijdschrift Letselschade in de Rechtspraktijk”, nummer 25/2017, maakt melding van een uitspraak (in een deelgeschilprocedure) van de Rechtbank Den Haag van 6 juni, met betrekking tot de kosten ter beperking van immateriële schade. Op zichzelf niet direct een opvallende uitspraak, maar bij nadere bestudering blijkt deze uitspraak zeer vergaande consequenties te hebben. Die consequenties betreffen niet alleen deze specifieke letselschade, maar meerdere zaken waarin de immateriële schade relatief beperkt blijft. De uitspraak lijkt daarmee de huidige tendens bij het benaderen van letselschades, waarin schadevergoeding primair in het teken van herstel staat en subsidiair in het teken van compensatie, volledig te negeren.

Feiten

Verzoekster wordt op 24 juni 2013 als fietser aangereden door een bij Univé verzekerde auto. Zij loopt als gevolg van dit ongeval blijvend letsel op aan haar linkerbeen. Verzoekster kan daardoor slecht hurken, knielen en zwaar werk verrichten. Verzoekster is woonachtig op een boerderij die zij zelfstandig exploiteert. De boerderij heeft geen economische opbrengst, behoudens voor eigen gebruik. Verzoekster is sinds het ongeval niet meer in staat geweest de boerderij zelfstandig te exploiteren. Zij heeft hiervoor hulp ingeschakeld voor 20 uur per week tegen een vergoeding van ongeveer € 8.000,- per jaar. Univé heeft een voorschot van € 55.000 betaald als vergoeding voor de kosten in verband met de ingeschakelde hulp tot eind 2016. Verzoekster verzoekt de rechtbank voor recht te bepalen dat Univé gehouden is de volledige schade te vergoeden met betrekking tot de arbeidshulp die zij tot aan haar 67e nodig heeft om haar boerderij op dezelfde wijze te exploiteren als voor het ongeval. In geschil is of de kosten in verband met de inschakeling van een derde ten behoeve van de exploitatie van de boerderij gekwalificeerd moeten worden als zuivere vermogensschade dan wel ander nadeel. De rechtbank is van oordeel dat de kosten als vermogensschade zijn te beschouwen. Het betreft kosten ter beperking van de immateriële schade die verzoekster als gevolg van het ongeval lijdt. De boerderij was haar levensdoel. De rechtbank overweegt dat de schade bestaande uit kosten ter beperking van immateriële schade uit haar aard niet de immateriële schade kan overstijgen. De rechtbank acht een immateriële schadevergoeding, en daarmee de maximaal door Univé te vergoeden kosten ter beperking van immateriële schade, van € 50.000,- op zijn plaats.

Commentaar

Bij de afwikkeling van letselschade wordt steeds vaker het herstel van het slachtoffer voor-opgesteld. ‘Herstel’ wordt daarbij breed opgevat, het gaat om herstel op medisch, praktisch, psychisch, emotioneel en sociaal gebied. De laatste decennia is steeds meer duidelijk geworden dat fysiek, psychisch en sociaal herstel nauw met elkaar samenhangen. Uit onderzoek blijkt dat het beleven van procedurele onrechtvaardigheid leidt tot slechtere gezondheidsuitkomsten, niet alleen psychisch, maar ook fysiek. Het uitgangspunt bij herstelgerichte dienstverlening is daarom het slachtoffer zoveel mogelijk de regie over zijn of haar leven (terug) te geven. In veel gevallen beperkt dit zelfs de totale schadelast.
Lindenbergh merkt hierover op: ‘Er lijkt immers een zekere natuurlijke volgorde te bestaan van wenselijke (re)acties ten aanzien van schade, en zeker ten aanzien van letselschade: voorkomen, beperken, herstellen, compenseren. Dat geldt niet alleen vanuit individueel menselijk oogpunt (‘voorkomen is beter dan genezen’), maar ook vanuit breder maatschappelijk perspectief (‘herstellen is beter dan betalen’).’

De rechtbank kwalificeert de kosten voor het inschakelen van een derde ter voorkoming van (verdere) geestelijke pijn als kosten ter beperking van de immateriële schade. Ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen deze kosten in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Voorwaarde hiervoor is dat het gaat om kosten die gericht zijn op het voorkomen of beperken van de schade en zij ‘redelijk’ zijn. De rechtbank is van oordeel dat de door verzoekster gevorderde kosten niet redelijk zijn. Zij overweegt dat vergoeding van de ‘redelijke’ kosten ter voorkoming van immateriële schade wordt begrensd door de hoogte van de immateriële schade zelf.

De hoogte van de immateriële schadevergoeding is afhankelijk van onder meer de aard van de aansprakelijkheid, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde. De kosten ter voorkoming van immateriële schade laten afhangen van de hoogte van de immateriële schade zelf kan zeer vergaande consequenties hebben. Het betekent bijvoorbeeld dat wanneer de aard van de aansprakelijkheid anders was geweest, maar met hetzelfde gevolg (namelijk het niet meer kunnen exploiteren van de boerderij) en het smartengeld om die reden €10.000,- zou bedragen, dit tot gevolg heeft dat Univé slechts gehouden is tot het vergoeden van dat bedrag ter voorkoming van de immateriële schade. Dit kan zelfs tot gevolg hebben dat verzoekster de boerderij moet opgeven en moet verhuizen naar een flat. Daarnaast zet de uitspraak tal van andere vormen van herstel onder druk. De kosten van re-integratie in het arbeidsproces, van resocialisatie, van een multidisciplinair traject of van een (herstel)coach lijken begrensd tot het bedrag aan immateriële schade. Door deze uitspraak wordt in zaken waarin de kosten ter beperking van de gevolgen van het ongeval mogelijk hoger uitpakken, het belang van de verzekeraar boven dat van het slachtoffer gesteld. De positieve ontwikkeling, waarbij herstel van het slachtoffer voorop staat, lijkt een halt te worden toegeroepen. Dit terwijl de kosten juist redelijk zijn in het licht van deze ontwikkeling en de primaire doelstelling van het schade-vergoedingsrecht, namelijk herstel van het slachtoffer. Kortom, het is een voor ons onbegrijpelijke uitspraak. Het slachtoffer moet zijn of haar leven, met inachtneming van de beperkingen die door het ongeval zijn ontstaan, weer zo optimaal mogelijk verder kunnen leven.

Verwijzingen:
Rechtbank Den Haag 6 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6086  
Tijdschrift Letselschade in de Rechtspraktijk, nummer 25/2017