Gepubliceerd op donderdag 28 september 2017

Blootstelling aan asbest door wassen werkkleding zoon

Eiser is de zoon en enig erfgenaam van X. In maart 2013 is bij X, de moeder van eiser, de ziekte maligne mesothelioom vastgesteld. X heeft een voorschot op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers ontvangen. Zij is op 7 november 2013 overleden. Eiser heeft van 1989 tot 2012 gewerkt bij Installatiebedrijf. Reaal is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Installatiebedrijf. Eiser vordert te verklaren voor recht dat Reaal jegens X onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor jegens eiser als erfgenaam van X schadeplichtig is geworden, met veroordeling van Reaal tot betaling van de immateriële schade, begroot op € 56.000. Hij voert aan dat Installatiebedrijf onrechtmatig heeft gehandeld jegens X, omdat zij in de periode van 1989 tot 1993 heeft nagelaten om veiligheidsmaatregelen te nemen in verband met blootstelling aan asbest. Door het nalaten van Installatiebedrijf is de kans dat X via de werkkleding van eiser aan asbest zou worden blootgesteld aanmerkelijk vergroot. Hierdoor heeft Installatiebedrijf zowel jegens eiser als jegens X verwijtbaar gehandeld. 

De rechtbank concludeert dat eiser tijdens zijn werk is blootgesteld aan asbest. De verplichting van Installatiebedrijf tot het treffen van veiligheidsmaatregelen strekt zich uit tot X. Installatiebedrijf had er als werkgever rekening mee kunnen en moeten houden dat de werkkleding van haar werknemers door anderen zou worden gewassen. Zij had zich daarmee, zeker gezien hetgeen in de periode 1989-1993 bekend was over de risico’s van asbest, bewust moeten zijn van het risico dat ook anderen dan werknemers een asbestziekte konden oplopen via de werkkleding. Doordat eiser is blootgesteld aan asbest zijn op zijn werkkleding mogelijk asbestvezels en asbeststof terechtgekomen. Eiser heeft voldoende gesteld dat X daardoor ook aan die asbestvezels kan zijn blootgesteld. Zo heeft hij gesteld dat hij tot 1994 bij zijn ouders thuis heeft gewoond en dat X (overigens ook nadat hij daar niet meer woonde) zijn was deed. Per week moesten er volgens eiser één à twee overalls van hem worden gewassen. Hij stelt te hebben gezien dat zijn moeder die overalls uitklopte voordat zij deze in de wasmachine deed. Nu niets is gesteld over eventuele door Installatiebedrijf getroffen veiligheidsmaatregelen ter voorkoming of beperking van het risico op asbestblootstelling van anderen dan de werknemers, concludeert de rechtbank dat de kans dat X is blootgesteld aan asbest door het nalaten van Installatiebedrijf aanmerkelijk is vergroot. Daarmee is de onrechtmatigheid gegeven. De rechtbank verwerpt het verweer van Reaal dat zij niet aansprakelijk is vanwege de omstandigheid dat de echtgenoot van X in de periode 1965-1969 als monteur heeft gewerkt en X heeft verklaard dat “de dagelijkse werkzaamheden van haar echtgenoot bestonden uit het ombouwen van potkachels naar gaskachels.” Op grond van art. 6:99 BW staat een mogelijke alternatieve oorzaak niet in de weg aan de aansprakelijkheid van Reaal. Het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding wordt toegewezen. Dit bedrag is gebaseerd op het normbedrag van het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) en de rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken.

(Rechtbank Den Haag 13 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:10452)

 

Bron: Tijdschrift letselschade in de rechtspraktijk